Verslag Voedselkaravaan Ede: de zelfvoorzienende stad.

Op 27 oktober streek de Voedselkaravaan 2018 neer op een bijzondere plek- in een circustent op het gemoedelijke eetfestival Störrig in Ede. Het was fris en gezellig op de strobalen, waar we met ambtenaren, boeren, burgers, onderzoekers, onderwijzers en vertegenwoordigers van de gemeente Ede, het Ministerie van Landbouw, Toekomstboeren, Herenboeren, Voedsel Anders, de Wageningen Universiteit en diverse lokale voedselinitiatieven in gesprek gingen over ‘Ede als zelfvoorzienende stad’.

Ede is een foodstad, waar korte ketens hoog op de agenda staan. Daarbij heeft Ede met 11.000 ha een groot oppervlakte aan agrarische grond – genoeg om alle Edenaren van voedsel te kunnen voorzien – in ieder geval de producten in hun huidige voedselpatroon die in Nederland kunnen worden geproduceerd.

Maar ondanks de grote hoeveelheid bestaande landbouwgrond, de aanwezigheid van ervaren Toekomstboeren die willen produceren voor de lokale markt en de vele inspanningen van de gemeente op het thema korte ketens wordt er nog steeds weinig voor de lokale markt geproduceerd. Hoe komt dat? Hoe kan dat anders? Dat waren de centrale vragen van de Voedselkaravaan in Ede.

Toegang tot grond
Een van de heikele kwesties is dat er op dit moment bijna geen groenten worden geteeld in de gemeente en dierlijke productie vooral geëxporteerd en geïmporteerd wordt. Tegelijkertijd zijn er veel ervaren tuinders, groentetelers en veehouders in Ede die geen zekerheid op land hebben. Deze zekerheid is echter wel nodig om duurzaam te investeren in grond en bedrijf. Deze boeren, ook wel Toekomstboeren genoemd, hebben duurzaamheid integraal in hun businessmodel ingebouwd- maar dan niet omdat het moet, of alleen omdat het meer oplevert, maar als vanzelfsprekendheid. Duurzaamheid wordt als basiswaarde ‘meeverkocht’ met het product. Maar toegang tot grond is een groot probleem, en juist voor deze boeren essentieel om duurzaam en innovatief te kunnen zijn.

Deze situatie doet zich niet alleen in Ede voor. Er ligt in heel Nederland een hoge druk op (agrarische) grond. Terwijl bestaande boeren in hoog tempo verdwijnen, wordt hun land verkocht aan een buurman- die vervolgens grootschaliger vee gaat houden en daarmee exporteren, of aan de bank, die het als beleggingsproduct ziet waarmee het land op de wereldmarkt verdwijnt. Dit is zonde. Er zijn veel nieuwe boer(inn)en die graag zouden beginnen. Zij produceren niet alleen voedsel (op een duurzame manier), maar creëren ook waarde voor het land, de biodiversiteit en het landschap en smeden verbindingen tussen burgers en de grond, de natuur, de stad en het voedsel.

Oplossingen voor het grondprobleem die werden besproken:

  • het oprichten van een speciaal grondfonds;
  • het stellen van eisen aan het gebruik van de gronden die de gemeente in haar bezit heeft;
  • duurzame aanbestedingen;
  • alternatieve financiering op basis van lokale geldstromen.

Iemand van de lokale Wageningse munt Eurijn legde uit dat lokale handel in een lokale (circulaire) economie ervoor zorgt dat geld in de (lokale) samenleving blijft circuleren, waarmee de investeringskracht ook binnen het systeem blijft. Die kan worden aangewend voor de waarden die we belangrijk vinden, zoals bijvoorbeeld duurzaamheid. Als we uitgaan van de wereld als basis, als economisch speelveld, dan stroomt geld weg uit de lokale samenleving, waardoor we steeds goedkoper en daarmee meestal minder duurzaam onze producten moeten zien te produceren.

Hoe kunnen we een transitie in gang zetten?
Door het bespreken van allerlei stukjes oplossingen en mogelijkheden werd het duidelijk dat er verschillende niveaus zijn om op te handelen. Een innovatief individu of organisatie zoekt en vindt oplossingen, maar kan niet in zijn of haar eentje de hele transitie bewerkstelligen. Maar hoe mobiliseer je alle partijen die nodig zijn om de transitie in gang te brengen?

Dit blijkt moeilijk omdat er onenigheid is over transitie. Zo ontstond er in de zaal een discussie of we het systeem moeten veranderen, of dat we binnen het systeem ruimte moeten creëren voor innovatieve, kleinschalige initiatieven. Voor sommigen ligt de oorzaak van het probleem juist in de werking van het systeem. Het neoliberale systeem zorgt ervoor dat alles om geld gaat in plaats van waarden. Dat is immers de reden waarom er in Ede nauwelijks groenten worden geproduceerd, maar alleen dierlijke producten die niet voor de lokale markt bestemd zijn. Het is voor bestaande producenten simpelweg te duur – zowel qua arbeid en logistiek – om lokaal te verkopen.

En in dit systeem wordt het land steeds verder uitgeput. Zou het geld niet beter ten dienste kunnen staan van de waarden die wij allemaal voorstaan in plaats van andersom?

Sandra van Kampen, die zich jarenlang heeft verdiept in voedselinitiatieven en die het boek “Voer” schreef vertelde dat zij een radicale verandering niet verwacht vanuit bestaande machtsstructuren. Maar dat die structuren nu wel ons denkkader zijn. Het is moeilijk aan te sturen op verandering naar een systeem dat we nog niet kennen, naar onzekerheid.

Op welke manier zou de overheid kunnen helpen om de transitie in gang te zetten? De gemeente vertelde dat zij eigenlijk alleen kan faciliteren en reguleren. En dat komt vaak neer op het nemen van kleine stapjes. Op dit moment organiseert de gemeente bijvoorbeeld een masterclass ‘produceren voor de korte keten’ voor boeren, en de gemeente is ook in gesprek met supermarkten over mogelijkheden voor verkoop van lokale producten. Toch blijft de invloed van de gemeente beperkt en werkt de gemeente, ook in haar faciliterende functie, langzaam.

Uit het gesprek blijkt ook dat binnen het huidige systeem niet duidelijk is wie er eigenlijk verantwoordelijk is voor de omslag in voedsel en landbouw. De transitie die we nodig hebben vereist ook een herverdeling van rollen en verantwoordelijkheden. Nu trekken gemeentes en andere overheden zich vooral terug en waar ze wel faciliteren duurt het te lang. Banken en supermarkten bewegen te langzaam of helemaal niet. Boeren, burgers en lokale organisaties doen hun best om duurzame initiatieven op te zetten, maar lopen na een paar jaar tegen problemen aan die te groot zijn om zelf aan te kunnen pakken.

Concluderend
De kracht van de bijeenkomst was dat ieder zijn eigen invloedssfeer inbracht, waardoor een helder beeld is ontstaan van de complexiteit van stedelijke zelfvoorziening. Het is duidelijk dat hard werk nodig is voordat korte ketens een significante bijdrage kunnen leveren aan de voedselvoorziening van de stad. De noodzaak van samenwerking en van het zoeken naar en creëren van ruimte voor meer innovatie van onderaf, te beginnen door het toegankelijk maken van grond voor boeren, lijken de twee belangrijkste conclusies. De wil is er. Als het aan de boeren ligt gaan ze morgen al zaaien- als zij weten waar het kan.

 

Verslag door: Maria van Maanen (boerin bij Om de Tuin)