Gosse de microfarmer

“Iedereen die dat wil kan op deze manier een tuinbouwbedrijfje starten”

Na vier jaar hard werken als sociaal tuinder gooit Gosse Haarsma het over een andere boeg: microfarming. Geïnspireerd door het boek ‘The Market Gardener’ start hij deze herfst met een intensieve kas en tuin, waarmee hij wil laten zien dat het mogelijk is een boterham te verdienen in de kleinschalige tuinbouw. Zonder bijverdiensten uit zorg of educatie.
DOOR: KLARIEN KLINGEN & ANNE CARL | FOTO’S: GOSSE HAARSMA

In 2013 begon toekomstboer Gosse aan de rand van een nieuwbouwwijk van Leeuwarden zijn tuin Âsum (zeg “awesome”). Hij wilde de mensen uit de wijk laten zien hoe duurzaam voedsel groeit en werkte daarom met het zelfoogstsysteem. Het stuk land kwam van de gemeente. Hoe hij dat regelde? “Ik stelde me bij de gemeente voor als stadsboer. Ik werkte twee jaar bij Doarpstún Snakkerbuorren om ervaring op te doen. Ik verdiende er niets mee, het was vrijwilligerswerk, maar ik was fulltime bezig met het vak. Misschien kwam dat betrouwbaarder over dan ‘een idee’. Er zijn zoveel ideeën. Ik zei, ik ben zelfstandig ondernemer, het is mijn risico, je hoeft verder niets te doen. Ik hoef geen geld, ik wil alleen een plekje, dan red ik me wel.” Aan het eind van het eerste jaar had de tuin 70 leden. Het jaar daarop waren dat er 100.

© Hoge Noorden / Jacob van Essen
foto dd 26-09-2013
Volkstuin in Techum
met oa Gosse Haarsma de tuinman
Gemeente Leeuwarden

Er waren flink wat opzeggingen aan het eind van het tweede jaar. “Achteraf hoorde ik van andere tuinen dat een verloop van 20 of 30 procent vrij normaal is. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik dacht: Oh jee, wat erg, hier moet wat veranderen!” Hij deed zijn prijs omlaag: 200 euro per persoon per jaar veranderde hij naar een systeem met ‘oogstaandelen’, waarin je voor 175 euro per persoon vijf dagen in de week ervan kon eten, of met zijn tweeën twee dagen. Gosse: “Op zich was dit systeem wel eerlijker. Probleem was alleen dat de oorspronkelijke leden nu ineens zeiden ‘oh maar dan kopen we samen ook één oogstaandeel, want we eten er toch niet elke week van’.” Dat werden dus minder inkomsten, bovendien bleek de prijsverlaging niet te helpen om de mensen uit de naastgelegen nieuwbouwwijk over de streep te trekken. “Toen ben ik ook aan restaurants gaan leveren.” Dat werkte goed, er was vraag naar. Alleen was het soms wel lastig. “Dan had ik bijvoorbeeld veertig kroppen sla, die ik allemaal wel aan een restaurant kwijt kon. Maar ik vroeg me af: komen er ook nog zelfoogstklanten? Dan liet ik tien kroppen staan. Maar als het dan een beetje regenachtig was kwam er niemand en stonden die kroppen sla, die ik had kunnen verkopen, door te schieten!” Vanaf het vierde jaar leverde Gosse daarom alleen nog maar aan restaurants. Om dat goed te kunnen blijven doen had hij echter ruimte nodig om te koelen en te wassen. Dat was daar niet te realiseren, dus zocht hij een nieuwe locatie. “Deze herfst begin ik op het land van een moeder en twee broers van mijn leeftijd. Het is een klompenmakersfamilie. Ze breiden het klompenmuseum dat ze hebben nu uit met en een fierljepmuseum en een fierljep-polder. Een groentetuin past daar mooi bij.”

Hij heeft het land al zwart laten maken, een kas besteld en verschillende apparaten, zoals een zaaimachine, een wielschoffel en een handgeduwde onkruidbrander en ook een Coolbot waarmee hij zelf een koelcel kan bouwen. Ook kocht hij bijzondere machines speciaal voor de kleinschalige tuinbouw zoals de quick greens harvester, een tilther (een minifrees) en een  paperpot transplanter. Die laatste is “Een uitvinding die nog maar net op de markt is.”

Een deel van het geld om deze investeringen te kunnen doen heeft hij geleend, een deel komt van oude kas op de vorige tuin, die hij aan de gemeente heeft kunnen verkopen. Op zoek naar manieren om efficiënter te kunnen oogsten en bezorgen, stuitte hij op het boek The Market Gardener. Daarin wordt een Canadees bedrijf beschreven dat met drie fulltime en twee seizoenskrachten een omzet heeft van 150.000 Canadese dollars, op één hectare. “Het mooie van microfarming is dat het veel toegankelijker is dan grootschalige monocultuur landbouw. Iedereen die dat wil kan op deze manier een tuinbouwbedrijfje starten.” Dat leerde hij ook van de YouTube-filmpjes van Curtis Stone, die een tuinderij begon in zijn achtertuin midden in de stad. “Niet met gewone broccoli en bloemkool maar met producten die een hele hoge opbrengst hebben. Hij gebruikt precies dezelfde technieken, alleen kleinschaliger. Dat vind ik zo inspirerend. In Amerika heeft microfarming zich echt al bewezen, het is daar een hele beweging aan het worden: mijn vriendin volgt op Instagram wel dertig van dat soort bedrijven! Zou het niet prachtig zijn als dat in Nederland ook zou kunnen?”

Zijn idealen zijn na vier jaar ervaring als stadstuinder onveranderd: hij wil nog steeds graag aan mensen laten zien waar hun voedsel vandaan komt. De manier waarop hij dat wil bereiken is wel anders: “We hebben nu een kindje. Als ik zestig uur in de week van huis ben, dan wil ik in die tijd wel graag een eerlijke boterham verdienen.” Het educatieve aspect hoeft volgens Gosse niet perse via zelfoogst of stadslandbouw te zijn. “Ik wil graag filmpjes gaan maken over mijn nieuwe werkwijze en op die manier educatief bezig zijn. Als ik een mooi lokaal zakje bladsla produceer en dat staat bij een familie ergens in de stad op de tafel en ze zeggen ‘wat heerlijk, en het is een kwartiertje buiten de stad geproduceerd!’, dan heeft dat voor mij dezelfde sociale en educatieve waarde als dat mensen uit het raam naar een stadstuin kijken.”

Op een bijeenkomst voor ondernemers in de stadslandbouw, waar hij aan deelnam, was de heersende consensus dat er geen geld verdiend kan worden in de stadslandbouw zonder aanvullende inkomsten uit zorg, workshops, educatie enz. “Dat wil ik dus niet, want dan kan ik net zo goed gewoon in de zorg gaan werken! Ik wil groenteproducent zijn, maar wel kleinschalig. Dat moet toch kunnen?”

Dit Toekomstboeren artikel verscheen in de september uitgave Ekoland